Wereldbevolking en energie
Trends tot 2100
Paul Chefurka,
oktober 2007
Originele tekst:
http://www.paulchefurka.ca/WEAP/WEAP.html
Korte inhoud
In het verleden is de toename van de menselijke
bevolking ondersteund door een gestage groei in het
energiegebruik. Onze huidige industriële beschaving heeft
een zeer grote hoeveelheid energie van verschillende soorten
nodig. Als de beschikbaarheid van deze energie behoorlijk af
zou nemen, zou dit serieuze gevolgen kunnen hebben voor de
beschaving en de bevolking. Dit artikel toont modellen voor
de verschillende energiebronnen die we gebruiken en hun
waarschijnlijke evolutie tot aan het jaar 2100. De
samengevoegde vooruitzichten worden vervolgens vertaald naar
een bevolkingsmodel, gebaseerd op een schatting van een
gemiddelde consumptie die varieert in de loop van de eeuw.
Tenslotte wordt het impact van de ecologische schade aan het
model toegevoegd om aan een uiteindelijke schatting van de
bevolking te komen.
Dit model, bekend als het "World Energy and Population
model”, of WEAP, suggereert dat de wereldbevolking sterk zal
afnemen in de loop van de eeuw.
Inleiding
Gedurende de industrialisatie is het niveau van de
wereldbevolking nauw verbonden geweest met de energie die we
verbruikt hebben. Over de laatste 40 jaar is de gemiddelde
consumptie 1,5
ton olie equivalent (toe)
per persoon per jaar geweest, vanaf een gemiddelde van 1,2
toe per persoon in 1966 tot 1,7 toe per persoon in 2006.
Terwijl het wereld-energieverbruik in die periode
verdrievoudigde, verdubbelde de bevolking.
Afbeelding 1 toont de nauwe relatie tussen de
wereld energie consumptie, ‘s-werelds Bruto
Binnenlands Product (GDP) en de wereldbevolking
en impliceert, dat het een globale toename van de
energietoevoer is geweest, die de toename van de bevolking
heeft ondersteund.

Afbeelding 1:
Wereld-energie, Bruto Binnenlands Product (GDP) en
Bevolking, 1965 – 2003
Methodologie
De analyse in dit artikel wordt onderbouwd door een model
van trends in de energieproductie. Dit model is gebaseerd op
historische gegevens van gerealiseerde energieproductie,
gekoppeld aan vooruitzichten, die afgeleid zijn van het
denken van verschillende energie analisten, als ook mijn
eigen interpretatie van toekomstige ontwikkelingen.
De huidige
wereld energie mix bestaat uit olie (36%), aardgas (24%),
kolen (28%), kernenergie (6%), waterkracht (6%) en duurzame
energie zoals wind- en zonne-energie (1%). Historische
cijfers voor elke categorie (met uitzondering van duurzame
energie) zijn overgenomen uit de
BP Statistical Review of World Energy 2007.
Voor vergelijkingen tussen verschillende vormen van energie
gebruik ik een standaard maat, de ton olie equivalent (toe)
genoemd. Hoewel deze benadering voorbij gaat aan verschillen
in toepasbaarheid (zoals van waterkracht en olie), vormt
deze maat een aanvaarde standaard voor algemene
vergelijkingen.
We zullen eerst elke energiebron apart bekijken. Ik zal de
factoren en variabelen, die ik voor elk scenario in
beschouwing heb genomen zo duidelijk mogelijk omschrijven.
Op deze manier kun je zelf oordelen of mijn
veronderstellingen aannemelijk lijken. Daarna zullen we deze
scenario’s samenvatten in een gezamenlijk vooruitzicht van
de wereldsenergie.
Wanneer we dit vooruitzicht samengesteld hebben, zullen we
de mogelijke effecten op de wereldbevolking bekijken. Daarna
verwerken we in deze cijfers de waarschijnlijke effecten van
de ecologische schade, om tot een uiteindelijke schatting
van de wereldbevolking in de loop van de eeuw te komen.
Opmerking
Het WEAP (World Energy And Population)-model is opgezet als
een eenvoudig Excel-spreadsheet. De tijdsbepaling van
energiegerelateerde gebeurtenissen en de percentages van
toename en afname van de energievoorziening werden gekozen
na zorgvuldige bestudering van de beschikbare litteratuur.
In een aantal gevallen hadden verschillende auteurs hierover
verschillende meningen. In deze gevallen heb ik vertrouwd op
mijn eigen analyse en oordeel. Modellen weerspiegelen altijd
de opinie van hun auteurs en het is het beste om daar van
begins af aan duidelijk over te zijn. Niettemin heb ik
altijd gepoogd zo objectief mogelijk te zijn en de
vooruitzichten te baseren op trends van nu en het recente
verleden en mij niet door mijn eigen wensen te laten leiden.
Het WEAP-model
presenteert een globale verwachting van de effecten van het
energiegebruik en van de ecologische factoren op de
wereldbevolking. Het gaat niet direct in op de regionale of
nationale verschillen. Het WEAP-model heeft tot doel een
brede conceptuele structuur op te zetten, waarbinnen de
regionale verschillen begrepen kunnen worden.
De analyse is
uitsluitend bedoeld om het “meest waarschijnlijke” scenario
voor de toekomst te bepalen, puur gebaseerd op de situatie
zoals die nu is en zich waarschijnlijk verder zal
ontwikkelen. Je zult geen suggesties vinden over wat we
zouden moeten doen, of voorstellen, die er vanuit gaan dat
we het gedrag van mensen en instituties op korte termijn
radicaal zouden kunnen veranderen. Je zult ook geen
discussie vinden over bijvoorbeeld kernfusie of waterstof.
Het Excel-blad met de gegevens, die voor het WEAP-model
gebruikt zijn, kun je hier
vinden.
Modellen per energiebron
Olie
De
olievoorziening is eindig, niet vernieuwbaar en afhankelijk
van de effecten van een afnemende winning in de nabije
toekomst. Deze situatie is populair bekend als Peak Oil. Het
sleutelconcept van Peak Oil is, dat, nadat ongeveer de helft
van de aanwezige olie opgepompt is, het rendement van de
winning een piek bereikt en vervolgens een onomkeerbare
daling inzet.
Dit gebeurt voor zowel individuele olievelden als voor
grotere gebieden zoals landen, maar om verschillende
redenen. In individuele velden wordt het fenomeen
veroorzaakt door geologische factoren inherent aan de
structuur van het oliereservoir. Op nationaal niveau wordt
het veroorzaakt door logistieke factoren. Wanneer we
beginnen met de oliewinning in een gebied, dan vinden we en
exploiteren we normaal gesproken als eerste de grootste en
best bereikbare olievelden. Wanneer de winning afneemt en we
de verminderde productie proberen te compenseren, zijn de
beschikbare nieuwe velden meestal kleiner met een lagere
productiecapaciteit.
Olievelden zijn
verdeeld in een heel klein aantal grote velden en een groot
aantal kleinere. Deze verdeling wordt aangetoond door het
feit dat 60 procent van ‘s-werelds oliewinning afkomstig is
van maar
1% van ’s-werelds actieve olievelden.
Wanneer één van deze zeer grote olievelden uitgeput raakt,
kan het de ontwikkeling van honderden kleine velden vergen
om de productieafname te compenseren.
De theorie
achter Peak Oil is ruim beschikbaar op het internet, en
enkele basis referenties worden
hier,
hier en
hier gegeven.
Tijdsbepaling
Er is veel discussie over wanneer we de piek in de
wereld-olieproduktie zouden moeten verwachten en hoe snel de
daling vervolgens zal zijn. Terwijl de snelheid waarmee de
productie afneemt nog heftig tegengesproken wordt, is het
tijdstip van de piek minder controversieel geworden. Onlangs
hebben een aantal goed geïnformeerde mensen aangegeven, dat
deze piek bereikt is. Tot deze dappere groep mensen horen de
miljarden investeerder
T. Boone Pickens, de in
energie investerende bankier
Matthew Simmons (auteur
van het boek "Twilight in the Desert" over de staat van de
Saoedi-Arabische oliereserves), de gepensioneerde geoloog
Ken Deffeyes (een collega
van de legendarische Peak Oil specialist M. King Hubbert) en
Dr. Samsam Bakhtiari (een
voormalig senior wetenschapper van de National Iranian Oil
Company).
Mijn stelling komt overeen met die van bovengenoemde
personen, dat de piek zich voltrekt op het moment dat ik dit
schrijf (najaar 2007). Het wordt bevestigd door het patroon
van de oliewinning en de olieprijzen van de laatste drie
jaar. Ik ontdekte dat de ruwe olieproductie
piekte in mei 2005 en
sindsdien geen groei vertoond heeft ondanks een verdubbeling
in prijs en een dramatische toename in
exploratieactiviteiten.
Dalingssnelheid
De dalingssnelheid na de piek is een andere vraag. De beste
gidsen die we hebben zijn de resultaten van olievelden en
landen, waarvan we weten dat ze al aan het afnemen zijn.
Helaas verschilt dit tempo overal. In de VS, bijvoorbeeld,
is de olieproductie
sinds 1971 aan het
afnemen en heeft sindsdien 2/3 van zijn capaciteit verloren
met een afname tempo van ongeveer 3 procent per jaar. Aan de
andere kant toont het Noordzee-bassin een jaarlijkse afname
van
ongeveer 10%, en de
productiecapaciteit van het reusachtige Cantarell veld in
Mexico loopt met bijna
20% per jaar terug.
Om een
realistisch vervalmodel op wereldniveau te maken, heb ik
ervoor gekozen om de benadering van Dr. Bakhtiari in zijn
WOCAP model te volgen. Hij
veronderstelt een steeds snellere daling in de
olieproductie. Tot nu toe is WOCAP redelijk accuraat
gebleken en ik heb voor een variant hiervan gekozen. Het
belangrijkste verschil is, dat mijn model wat minder
agressief is. Waar WOCAP voorspelt dat de oliewinning zal
dalen van 4000 miljoen ton olie per jaar nu (Mtoe/jr) naar
2750 Mtoe/jr in 2020, bereikt mijn model dat punt pas in
2030. Mijn model gaat uit van een verval van 1 procent per
jaar in 2015 tot een constant verval van 5 procent per jaar
na 2040. Zelfs dit tamelijk conservatieve model geeft
verbazingwekkende resultaten in de loop van de eeuw, zoals
te zien op afbeelding 2.

Afbeelding 2:
Wereld-olieproduktie, 1965 - 2100
Het netto-olie-export
probleem
De grafiek van afbeelding 2 toont de gezamenlijke
oliewinning voor de wereld. De wereld is echter geen
uniforme plaats van oliewinning en olieconsumptie. Sommige
landen zijn netto-exporteurs, terwijl andere
netto-importeurs zijn, die hun olie op de internationale
markt kopen.
In de meeste landen stijgt de vraag naar olie constant. In
olie-exporterende landen hebben stijgende olieprijzen de
economische groei gestimuleerd. Dit heeft tot gevolg, dat de
binnenlandse vraag naar olie toeneemt. Wanneer
tegelijkertijd de oliewinning in het land toeneemt is dat
geen groot probleem. Wanneer de winning in olie-exporterende
landen echter piekt en begint af te nemen, gebeurt er iets
onheilspellends: de hoeveelheid olie voor de exportmarkt
neemt sneller af dan de afname van de oliewinning. Dit
is bekend als het “netto-olie-export probleem”.
Even een voorbeeld. Stel, dat een olie-exporterend land een
miljoen vaten per dag produceert en dat zijn burgers 500.000
vaten per dag verbruiken. Dan zijn er 500.000 vaten over
voor de export. Stel, dat de productiecapaciteit af met 5 %
per jaar afneemt. Na een jaar is de productie gedaald tot
950.000 vaten per dag. Wanneer tegelijkertijd de
binnenlandse economie vooruit gaat en de binnenlandse vraag
met 5 % toeneemt, wordt de binnenlandse consumptie 525.000
vaten per dag. Dan zijn er nog slechts 425.000 vaten over
voor de export, dat wil zeggen een afname van 15 %. Een
grafiek over een periode van enkele jaren toont de gevolgen:

Afbeelding 3:
Voorbeeld netto-olie-export probleem
Na 8 jaar, en ofschoon het land nog 700.000 vaten per dag
produceert, is de export tot 0 teruggelopen. Dit patroon is
al gezien in Indonesië, in het Verenigd Koninkrijk en in de
USA, die alle drie eens grote olie-exporteurs waren en nu
netto-importeur zijn geworden.
Dit effect is nu al zichtbaar op de wereldmarkt. Afbeelding
4 toont een grafiek van de
totale wereld export
over de laatste 5 jaar. Een erboven geplaatste trendlijn
toont het patroon: een snelle afname in de totale
wereld-olie-export.

Figure 4: Netto
wereld-olie-exporten 2002 tot 2013
Dergelijke
wijzigingen in olie-exporten zijn zeer zorgelijk voor
importerende landen. De VS, bijvoorbeeld, importeert
ongeveer 2/3 van zijn olie benodigdheden. Wanneer de export
markt plotseling op zou drogen, zoals afbeelding 4
suggereert, zou de VS genoodzaakt zijn enkele zeer harde
keuzes te maken. Die zouden onder meer kunnen behelzen, dat
ze een drastische verarming van hun industriële activiteit,
van hun Bruto Binnenlands Product en van hun levensstijl
zouden moeten accepteren, of lange termijn
leveringscontracten met olieproducerende landen afsluiten,
of zelfs militaire actie ondernemen om de olielevering
veilig te stellen (zoals misschien al in Irak gepoogd is.)
Ik heb deze inzichten te danken aan het werk van Jeffrey
Brown en zijn
Export Land Model.
Aardgas
De situatie van de aardgasvoorziening is erg vergelijkbaar
met die van olie. Dat is logisch, omdat gas en olie van
dezelfde biologische bron komen en vaak in vergelijkbare
geologische formaties voorkomen. Gas- en olieputten worden
met vergelijkbare apparatuur geboord. De verschillen tussen
de twee hebben alles te maken met het feit dat olie een
stroperige vloeistof is, terwijl gas, eh, gas is.
Hoewel zowel olie en gas een productiepiek vertonen, zal de
helling van verval voor gas veel steiler verlopen door zijn
lagere viscositeit. Om te begrijpen waarom, stellen we ons 2
ballons voor, de één gevuld met water, de ander met lucht.
Als je ze neerzet en de opening loslaat, zal de met lucht
gevulde ballon veel sneller leeg lopen, dan die met water.
Een gasreservoir werkt op vergelijkbare manier. Wanneer het
aangeboord wordt, loopt het gas er onder zijn eigen druk
uit. Zolang het reservoir leeg loopt kan de uitstroom
redelijk constant gehouden worden totdat het reservoir leeg
is; dan zal het plotseling stoppen.
Gasvelden tonen
dezelfde verdeling als olievelden. Zoals met de olievelden
vinden en exploiteren we eerst de grootste velden. De velden
die nu getapt worden, worden steeds kleiner, en vereisen een
groter aantal boorputten voor eenzelfde volume aan gas.
Bijvoorbeeld, het aantal gasputten in Canada
steeg met 400% tussen 1998
en 2004 (van 4.000 putten in 1998 tot 16.000 putten in
2004), terwijl de jaarlijkse productie gelijk bleef. Dit
betekent dat de aardgas voorziening een soortgelijke
klok-vormige curve zal laten zien als we voor olie zagen.
Een ander verschil tussen olie en gas is het kenmerk van hun
wereld-exportmarkten. Vergeleken met olie is de gasmarkt erg
klein. Dit komt, omdat gas moeilijk te vervoeren is, in
tegenstelling tot een vloeistof. Terwijl olie eenvoudig in
en uit tankers gepompt kan worden, moet aardgas eerst
vloeibaar gemaakt worden (hetgeen aanzienlijk veel energie
kost), in speciale tankers op lage temperatuur en onder hoge
druk getransporteerd worden, en vervolgens bij aankomst weer
tot gas gemaakt worden, wat nog meer energie vergt. Daarom
wordt het meeste aardgas op de wereld per pijpleiding
vervoerd. Dit beperkt gas tot nationale en continentale
markten. Dit heeft een belangrijke implicatie: wanneer de
gasvoorziening op een continent uitgeput raakt, is een
vervangende aanvoer van een ander continent heel erg
moeilijk.
De piek in de wereld gas productie komt misschien niet voor
2025, maar twee dingen zijn zeker: we zullen nog minder
waarschuwing krijgen dan voor Peak Oil, en vervolgens kunnen
de verval snelheden
shockerend hoog
zijn. Voor het gas-model heb ik voor de piek een tijdspanne
tussen 2025 en 2030 gekozen. Deze wordt gevolgd door een
snelle toename van het verval tot 8 % per jaar in 2050 en
een constante 8 % voor de volgende 50 jaar. Dit levert de
productiecurve van afbeelding 5.

Afbeelding 5: Wereld-aardgasproductie, 1965 tot 2100
Steenkool
Steenkool is de lelijke stiefzuster van de fossiele
brandstoffen. Het heeft een verschrikkelijke reputatie voor
het milieu, die dateert van zijn eerste wijdverbreide
gebruik in Groot-Brittannië in de 18e eeuw. De
Londense, op steenkool gestookte “erwtensoep-mist” was
berucht en schaadde de gezondheid van honderdduizenden
mensen. Tegenwoordig ligt de bezorgdheid minder bij roet en
as, als wel bij de carbondioxide, die vrij komt bij de
verbranding van kolen. Per gewicht produceren kolen meer CO2
dan olie of gas. Vanuit het standpunt van energieproductie
heeft steenkool het voordeel van een grote overvloed.
Uiteraard is deze overvloed zeer negatief, wanneer je het
bekijkt vanuit het perspectief van de opwarming van de
aarde.
Tegenwoordig wordt de meeste steenkool gebruikt om
elektriciteit op te wekken. Wanneer economieën groeien,
groeit ook de vraag naar elektriciteit, en wanneer
elektriciteit gebruikt wordt als gedeeltelijke vervanging
van olie en aardgas, zal dat de vraag naar steenkool doen
toenemen. Momenteel bouwt China 2 a 3 nieuwe kolencentrales
per week, en heeft het plannen om nog minstens tien jaar in
dit tempo door te gaan.
Net zoals we bij olie en gas zagen, zal de
steenkoolproductie een piek vertonen en afnemen. Eén van de
factoren is, dat we ons in het verleden geconcentreerd
hebben op de hoogste kwaliteit steenkool: antraciet. Veel
van wat er nu overblijft, is van een veel lagere kwaliteit,
zoals bitumineus en lignite. Deze kwaliteit produceert bij
verbranding minder energie en vereist meer steenkool voor
eenzelfde hoeveelheid energie.
De Energy Watch Group
heeft een uitvoerige analyse uitgevoerd voor een lange
termijn vooruitzicht van het steenkoolverbruik. Ik heb hun
gunstigste scenario als startpunt voor dit model genomen.
Het model voorziet een doorgaande stijging in het gebruik
van steenkool met een piek in 2025. Wanneer de opwarming van
de aarde serieuze effecten begint te krijgen, zal er een
toenemende druk onstaan om het gebruik van steenkool te
beperken, hetgeen leidt tot een iets steiler verval dan door
de Energy Watch Group voorspeld wordt. Omdat er een
overvloed aan steenkool is en we genoodzaakt zullen zijn om
het verval van olie en gas te compenseren, zal de daling in
de steenkoolproductie niet zo dramatisch verlopen als bij
olie en gas. Het model gaat uit van een jaarlijks verval van
0 % in 2025 tot een constante 5 % in 2100. Deze
veronderstellingen leveren de curve van afbeelding 6.

Afbeelding 6: Wereld-steenkoolproduktie, 1965 tot 2100
Natuurlijk brengt het gebruik van steenkool een verhoogde
dreiging voor de opwarming van de aarde met zich mee,
vanwege de continue uitstoot van CO2. Er zijn veel hoopvolle
woorden geschreven over de mogelijkheid deze zorg weg te
nemen door “Carbon Capture and Storage” (CSS). Gewoonlijk
wordt daarmee bedoeld: het opvangen van CO2 in de
schoorstenen van kolencentrales en het comprimeren en voor
lange tijd opslaan in lege gasvelden. Deze technologie is
nog in een experimenteel stadium, en er is veel scepticisme
rond de veiligheid van opslag van zulke gigantische
hoeveelheden CO2 in poreuze rots-lagen. Deze plannen spelen
nauwelijks een rol in de huidige analyse. Verderop in dit
artikel, bij de bespreking van de ecologische schade en de
afnemende energie, zal ik ervan uit gaan, dat er met CCS
weinig resultaat geboekt zal worden in verhouding met de
totale CO2-uitstoot op de wereld.
Nucleaire energie
De grafiek van afbeelding 7 is het resultaat van de synthese
van gegevens en een beetje projectie. Ik ben begonnen met
een tabel met de leeftijd van reactoren van de IAEA (overgenomen
uit een presentatie voor de Association for the Study of
Peak Oil and Gas), een tweede tabel met
historische productiecijfers van nucleaire centrales uit de
BP Statistical Review of World Energy 2007
en nog een tabel van de
Uranium Information Centre
die de wereldwijde aantallen reactors toont, die
geïnstalleerd, gepland en voorgesteld zijn.
Het interessante van de tabel met de leeftijden van de
reactors is, dat deze aangeeft, dat de grote meerderheid
ervan (361 van de 439 oftewel 82 %) tussen de 17 en 40 jaar
oud zijn. Het aantal reactors van elke leeftijd verschilt
natuurlijk, maar het gemiddelde aantal voor elk jaar is 17.
Dat aantal loopt op tot boven de 30 over enkele jaren.
Twee realiteiten vormen de basis voor mijn model voor
nucleaire energie. De eerste is, dat vanwege het feit dat
reactoren een eindige levensduur van ongeveer 40 jaar
hebben, naderen veel van ‘s-werelds huidige reactoren het
einde van hun nuttige leven. De tweede is, dat de
vervangingsratio afgeleid van de tabel van de UIC met de
geplande reactors, slecht 3 tot 4 reactors per jaar toont
voor op z’n minst de komende 10 jaar en waarschijnlijk de
volgende 20 jaar.
Deze twee feiten betekenen, dat we in de komende 20 jaar
meer dan 300 reactoren buiten gebruik stellen, en we er maar
60 gebouwd zullen hebben. Dus, tegen 2030 hebben we een
nettoverlies van 240 of meer reactoren, meer dan de helft
van de huidige voorraad. Daar al deze reactoren grofweg
gelijk van grootte zijn (gemiddeld iets minder dan 1 GW)
betekent dit, dat we voor elk moment de globale
productiecapaciteit kunnen berekenen, en redelijk nauwkeurig
tot rond 2030.
Dit model maakt een milde interpretatie van de beschikbare
gegevens. Het gaat ervan uit, dat we 3 GW nucleaire
capaciteit per jaar bijbouwen gedurende de komende 10 jaar
(ongeveer hetgeen er nu in aanbouw is), 4,5 GW per jaar voor
de volgende 10 jaar (dat zijn de reactors die nu gepland
zijn en vermoedelijk gebouwd zullen worden), en 6 GW per
jaar van de voorgestelde reactors voor de volgende 20 jaar.
Het model veronderstelt een toenemend bouwpatroon, omdat ik
aanneem dat we over 20 jaar wanhopig om electriciteit zitten
te springen. Daarom ga ik ervan uit dat er elk jaar twee
keer zoveel reactoren als nu gerealiseerd worden.

Afbeelding 7: Wereldproductie nucleaire energie, 1965 tot
2100
De terugval in capaciteit tussen nu en 2030 wordt
veroorzaakt door het feit, dat de aanbouw van nieuwe
reactors onvoldoende tred houdt met het buiten bedrijf
stellen van oude reactors. De toename na 2030 komt voort uit
de voorspelling, dat we rond 2025 het bouwtempo zullen
verdubbelen, wanneer de energiesituatie wanhopig wordt en we
er achter komen, dat de meeste van de tussen 1970 en 1990
gebouwde reactoren buiten gebruik zijn. Het uiteindelijke
verval na 2060 komt voort uit mijn verwachting, dat we over
enkele tientallen jaren enorm veel industriële capaciteit
zullen verliezen door het opraken van olie en gas. Hierdoor
zullen we geen mogelijkheden hebben alle oude reactoren te
vervangen.
Het argument
voor een piek in de nucleaire productie in 2010 en het
daarop volgende verval is vergelijkbaar met de logistieke
overwegingen achter Peak Oil – de grote massa oude reactoren
staat op het punt uitgeput te raken en we bouwen onvoldoende
vervanging. In feite, om gelijke tred te houden met het
buiten bedrijf stellen van oude reactoren zouden we 17
nieuwe reactoren per jaar moeten bouwen (meer dan 5 keer wat
er nu geboekt staat) en voor altijd. Dit lijkt zeer
onwaarschijnlijk gezien het benodigde kapitaal, de
regelgeving en de publieke opinie.
Terzijde zij vermeld, dat het verval in de capaciteit na
2010 inhoudt, dat we ons geen zorgen hoeven te maken over
het opraken van uranium (nu 50.000 ton per jaar).
Waterkracht
Als steenkool de lelijke stiefzuster is, dan is waterkracht
een van de sprookjesachtige peetmoeders van het
energieverhaal. Voor het milieu is het betrekkelijk schoon,
ook al is dat misschien niet zo schoon als voorheen gedacht
werd. Het heeft de mogelijkheid vrij grote hoeveelheden
elektriciteit op een tamelijk constante manier te leveren.
De technologie is goed bekend, overal beschikbaar en
technisch niet erg veeleisend (op z’n minst als je het met
nucleaire elektriciteit vergelijkt.) Stuwdammen en
generatoren gaan lang mee.
Waterkracht kent een aantal problemen; de meeste zijn
lokaal. De belangrijkste problemen zijn de vernietiging van
woongebieden door het stuwmeer, het vrijkomen van CO2 en
methaan van ondergelopen vegetatie en de onderbreking van
rivieren. Wat verdere ontwikkelingen betreft, is het
grootste obstakel dat de beste locaties voor waterkracht
centrales al in gebruik zijn. Niettemin is waterkracht een
aantrekkelijke energiebron. De ontwikkelingen zullen
waarschijnlijk met eenzelfde snelheid doorgaan als in het
verleden, tenminste tot het punt dat de vraag afbrokkelt
door inzakkende economieën.
Om de groei van de waterkracht energie te projecteren heb ik
een curve gebruikt, die aansluit op de historische gegevens
van de laatste 40 jaar. Deze curve gaat ervan uit, dat de
toekomstige ontwikkeling veel zal lijken op die in het
verleden, op z’n minst totdat een invloed van buiten het
verloop van deze ontwikkeling verstoort. De projectie staat
op afbeelding 8. De hoge graad van correlatie van deze curve
met de huidige gegevens (uitgedrukt in de R2
waarde van 0,994) geeft vertrouwen in de betrouwbaarheid van
deze projectie. (Hoe dichter de R2-waarde bij 1 ligt, hoe
precieser de aansluiting op de gegevens.)

Afbeelding 8: Vooruitzicht waterkrachtproductie
Het model voor waterkrachtenergie van afbeelding 9 toont een
capaciteit die tot aan 2060 groeit tot het dubbele van zijn
huidige peil. Daarna neemt de capaciteit tot 2100 weer af
tot aan het huidige niveau. Het verval in het tweede
gedeelte van de eeuw wordt toegeschreven aan een algemeen
verval van de industriële activiteit en een vermindering van
rivierwater door de opwarming van de aarde. Dit zijn de
hierboven bedoelde invloeden van buiten af.

Figure 9: Global Hydro Production, 1965
to 2100
Vernieuwbare energie
Vernieuwbare energie omvat bronnen zoals wind,
foto-voltaïsche en thermale zonne-energie, energie van getij
en golven enz. Het inschatten van hun waarschijnlijke
aandeel in de toekomstige energie-mix is één van de
moeilijkere overwegingen, die ik in het ontwikkelen van dit
model ben tegen gekomen. De hele industrie van vernieuwbare
energie staat nog in zijn kinderschoenen. Daarom heeft deze
vorm van energie nog maar weinig impact, maar wel enorme
beloftes. Terwijl zijn aandeel op wereldniveau nog miniem is
(minder dan 1 % van de wereldbehoefte), zijn de
groeicijfers uitzonderlijk. Windenergie, bijvoorbeeld, heeft
een jaarlijkse groei van
30% over de laatste 10 jaar.
Voorstanders van vernieuwbare energie wijzen op de enorme
hoeveelheid research die uitgevoerd is en het brede scala
benaderingen dat onderzocht is. Ook zeggen ze, terecht, dat
de uitdaging enorm is: de ontwikkeling van vernieuwbare
energiebronnen is cruciaal voor een duurzame menselijke
beschaving. Al dit bewustzijn, dit werk en deze beloftes
geeft deze opkomende industrie een aura van kracht, die niet
te verslaan lijkt. En dat steunt de overtuiging van zijn
voorstanders, dat alles mogelijk is.
Natuurlijk zit
de wereld vol van onverwachte obstakels en ongerechtvaardigd
optimisme. Eén van die obstakels dook op bij de bio-fuel,
waar recentelijk het conflict tussen voedsel en brandstof in
het publieke bewustzijn doordrong. We kunnen het
buitensporige optimisme op datzelfde gebied aan het werk
zien, waar de dromen om diesel door ethanol te vervangen
tegen de limieten lopen van de lage netto-energie in
biologische processen.
De hamvragen voor een geloofwaardig model zijn: hoe groot is
de waarschijnlijke groei van vernieuwbare energie over de
komende 50 jaar en hoeveel energie zal het uiteindelijk
bijdragen?
Hoewel ik de pessimistische opvatting, dat vernieuwbare
energie slechts een klein aandeel zal zijn, niet deel, is
het evenmin realistisch te veronderstellen, dat ze een
dominante positie zal verwerven op de energiemarkt. Dat komt
in de eerste plaats door haar late start, vergeleken met het
aanstaande verval van olie, gas en nucleaire energie, als
ook haar voortdurende economische nadeel ten opzichte van
steenkool.
Om een realistische groei voor vernieuwbare energie te
projecteren heb ik dezelfde techniek gebruikt als bij de
waterkracht hierboven. Als startpunt voor de projectie van
afbeelding 10 heb ik de gegevens gebruikt van de duurzame
energie productie van 1980 tot 2050, verzameld door de
Energy Information Agency
. Zoals bij de curve van waterkracht geldt ook hier, dat de
nauwe aansluiting op deze gegevens een hoge graad van
betrouwbaarheid in deze projectie geeft.

Afbeelding 10: Vooruitzicht vernieuwbare energie
Deze techniek heeft enkele tekortkomingen. In de eerste
plaats telt het alle vernieuwbare energiebronnen bij elkaar
op: geo-thermiek, zon, wind, biomassa etc. Omdat sommige van
deze bronnen nog in de kinderschoenen staan, is het mogelijk
dat zij een snellere groei vertonen in de toekomst, waardoor
deze projectie te behoudend wordt. Hiertegenover staat
natuurlijk de kans, dat ze tegen onverwachte obstakels
oplopen, hetgeen de balans naar de andere kant door zou
laten slaan. Het tweede probleem is, dat door de jonge
leeftijd van deze industrie, de grote
productieonderbrekingen in het begin de curve onbetrouwbaar
kan maken. Deze problemen heb ik verholpen door alleen de
laatste 15 jaar gegevens als basis voor de projectie te
gebruiken. Deze bevatten de jaren met de grootste groei in
de industrie van de wind- en zonne-energie. Zoals we aan de
hoge correlatie tussen de curve en de cijfers zien, is de
jaarlijkse afwijking tamelijk klein. Alles afgewogen lijkt
deze projectie geschikt als basis voor het model.
Ik heb de piek van de vernieuwbare energie in 2070
geplaatst. Na deze piek neemt de productie af vanwege het
feit, dat veel vernieuwbare energiebronnen (bijv.
windturbines en foto-voltaische zonnepanelen) afhankelijk
zijn van een hoog peil van technologie en fabricage. Het
model voorziet, dat aan het eind van de eeuw het aandeel van
vernieuwbare energie groter is geworden dan de andere, met
uitzondering van waterkracht.

Afbeelding 11:
Wereld-vernieuwbare-energieproductie, 1965 tot 2100
Alle energiebronnen in perspectief geplaatst

Afbeelding 12: Energiegebruik per bron,
1965 tot 2100
Afbeelding 12 toont alle curven samen. Dit geeft een
idee van de respectievelijke tijdstippen van de
verschillende piekproducties, als ook het aandeel van elke
energiebron in de loop van de tijd.
Zoals je kunt zien, leveren de fossiele brandstoffen
verreweg het grootste aandeel in de huidige mix van de
wereldenergie, maar raken ze alle drie in snel verval in de
tweede helft van de eeuw. Waterkracht en duurzame energie
leveren een respectabel aandeel rond het midden van de eeuw,
terwijl nucleaire energie een constante rol speelt. Aan het
eind van de eeuw zijn olie en gas bijna uit het plaatje
verdwenen, terwijl de dominante spelers waterkracht,
vernieuwbare energie, steenkool en nucleaire energie zijn,
in die volgorde.

Afbeelding 13: Totale energieverbruik, 1965 tot 2100
Afbeelding 13 heeft alle energiecurven bij elkaar opgeteld
en toont de globale vorm van de wereld energie consumptie.
Deze grafiek totaliseert alle stijgingen, pieken en dalingen
en geeft een indruk van het totale energieverbruik tot 2100.
De grafiek toont een sterke piek in 2020 met een steeds
steiler verval tot 2100. De belangrijkste reden voor het
verval is het opraken van olie, gas en, in mindere mate,
steenkool. Het verval wordt getemperd door een toename in
waterkracht en vernieuwbare energie en bereikt een
gemiddelde van iets minder dan 3 procent per jaar.
Helaas betekent het verlies van het enorme aandeel fossiele
brandstoffen, dat de totale hoeveelheid energie, die de
mensheid aan het eind van de eeuw ter beschikking staat,
minder dan 1/5 kan zijn van de energie die we nu gebruiken
en minder dan 1/6 van de piek die over een jaar of tien
komt. Dit tekort houdt een dreigende boodschap in voor onze
toekomst. Die boodschap is het onderwerp van de rest van dit
artikel.
Het effect van de
energievermindering op de bevolking
Zoals ik in de
inleiding zei, is de groei van de wereldbevolking mogelijk
gemaakt door de groei van onze energievoorziening. Nu is het
tijd wat nader op deze relatie in te gaan en de implicaties
te bezien van het globale energiemodel, dat we zojuist
hebben samengesteld.
De historische en de huidige
situatie
Volgens een analyse van het historische energieverbruik,
gepubliceerd door
Western Oregon University,
is onze individuele energieconsumptie uit voedsel relatief
constant gebleven (binnen een verhouding van 1 op 3
gedurende het grootste gedeelte van de menselijke
geschiedenis), terwijl de energie die we voor de rest van
onze activiteiten gebruiken, vergeleken met de vroege
agrarische tijd, in de huidige ontwikkelde landen bijna 30
keer meer geworden is. De wereldbevolking is met eenzelfde
factor toegenomen, van 200 miljoen in het jaar 1 na Christus
tot 6,6 miljard nu.
Eén van de meer
betekenisvollere resultaten van het onderzoek van de
Western Oregon University
is de non-food energieconsumptie van de “geavanceerde
agrarische mens” van Noord-Europa in 1400. Wanneer het getal
van 20.000 kilocalorie per dag omgerekend wordt naar onze
standaard maat van Ton Olie Equivalent, blijkt dat 0,75 toe
per jaar te zijn. De consumptie van de “vroege
geïndustrialiseerde mens” in 1875 wordt geschat op 2,5 toe
per jaar. Ter vergelijking, in 1965 was het wereldgemiddelde
van de non-food energieconsumptie slechts 1,2 toe per jaar.
Natuurlijk bestaan er op de wereld grote verschillen in de
energieconsumptie. De gezamenlijke bevolkingen van China,
India, Pakistan en Bangladesh (2,7 miljard inwoners)
verbruiken gemiddeld 0,8 toe per persoon per jaar. Het
wereldgemiddelde is 1,7 toe per persoon per jaar. De
Noord-Amerikaanse consumptie is ongeveer 8,0 toe per persoon
per jaar.
Het is redelijk
om te verwachten, dat een krimpende energievoorziening de
landen aan de tegengestelde uiteinden van het
energieverbruikspectrum tamelijk verschillend zal treffen.
Het plaatje wordt nog gecompliceerder door de effecten van
de afnemende olie-export op landen die olie importeren en of
deze landen arm of rijk zijn. Een nauwkeurige analyse van
deze effecten ligt buiten het bereik van dit artikel. We
zullen niettemin enkele impacts op de korte en middellange
termijn bekijken. Dat is een toevoeging aan het onderzoek
naar het algemene effect van de krimpende
energievoorziening, dat het hoofdonderwerp van dit artikel
is.
Lange termijn en
samengevoegde effecten
Zoals getoond in het voorbeeld van de “agrarische mens”
hierboven, heeft de mens een behoorlijke hoeveelheid energie
nodig om te overleven, zelfs bij een tamelijk lage
levenskwaliteit. Dit houdt in, dat wanneer de
energievoorziening krimpt en de energie per hoofd van de
bevolking afneemt, de kwaliteit van het leven van degenen
die aan het lage uiteinde van het energieverbruik zitten
zwaar getroffen zal worden. De ernst van het effect hangt af
van hoe dicht ze aan het minimum overlevingspeil van de
energievoorziening zitten.
In onze
beschaving worden schaarse goederen op basis van prijs
toegekend: hoe schaarser, hoe hoger de prijs. Degenen die
zich kunnen veroorloven deze prijs te betalen kunnen het
verkrijgen ten koste van degenen die dat niet kunnen.
Degenen die te weinig bieden zullen hun consumptie moeten
verminderen of zelfs zonder moeten doen. Dit is net zo goed
van toepassing op energie als op elk ander product.
De mate waarin iemand een terugval in de energievoorziening
en de stijgende energieprijzen kan overleven is in eerste
instantie afhankelijk van de vraag of ze nog andere
consumptiegoederen hebben, waarop ze kunnen besparen om voor
de benodigde energie te betalen. Degenen die onderaan de
economische ladder zitten hebben geen mogelijkheden hun vrij
besteedbare inkomen anders te besteden, want ze hebben geen
vrij besteedbaar inkomen. Daarom zullen zij niet voldoende
kunnen bieden en af moeten zien van een bepaalde hoeveelheid
olie of elektriciteit. Wanneer hun consumptie al zodanig
laag is dat ze nauwelijks kunnen overleven, zullen de
consequenties catastrofaal zijn.
Meer dan 4,5 miljard van de 6,6 miljard wereldburgers leven
in landen met een gemiddelde energieconsumptie van minder
dan 2,0 toe per persoon per jaar. Wanneer de
energievoorziening daalt, lopen deze het landen het risico
van een sterke toename in het sterftecijfer, wanneer ze niet
meer mee kunnen bieden op de energiemarkt en de bevolking
minder energie krijgt dan minimaal noodzakelijk is om te
overleven.
Korte termijn en regionale
effecten
Deze korte termijn en regionale effecten worden primair door
het “Peak Oil”-fenomeen en de “Netto Export”-crisis
veroorzaakt. Zodra het effect van krimpende exporten
merkbaar wordt, zal de marktprijs heel snel stijgen.
Sommige olieproducerende landen zouden kunnen besluiten om
meer te exporteren (en minder voor de eigen bevolking te
houden) vanwege het geld dat het opbrengt. Dergelijke acties
kunnen resulteren in een tekort gedane en ontevreden
bevolking, hetgeen tot onrusten om olie en zelfs revolutie
kan leiden. Andere producenten zouden kunnen overwegen hun
olie thuis te houden om bij voorkeur hun eigen bevolking te
voorzien. Dat zal resulteren in een golf van nationalisaties
van oliebronnen, waarmee de regeringen de distributie naar
de eigen bevolking kan leiden en de lokale prijs vast kan
stellen.
Olie-importerende landen zullen voor een vergelijkbare keus
komen te staan als de arme landen die hierboven werden
genoemd. Ze zullen meer van hun vrij-besteedbare geld voor
de aankoop van olie moeten gebruiken. Wanneer dat
onvoldoende is voor hun behoefte zullen ze hun consumptie
moeten beperken. Wanneer ze noch het één, noch het andere
willen, zouden ze hun olietoevoer met de kracht van wapens
veilig kunnen stellen, als ze daar de middelen voor hebben.
Dichtbij gelegen olieproducerende landen, die hun olie van
de wereldmarkt af houden (of daarvan verdacht worden), lopen
een verhoogd risico het mikpunt van een oorlog om
natuurlijke hulpbronnen te worden. Enkele aspecten van deze
geopolitieke energie-overwegingen zouden al in het spel
kunnen zijn bij de invasie van Irak door de VS.
De “netto-olie-export”-crisis kan het bepalende
geopolitieke evenement van de komende tien jaar worden.
Het bevolkingsmodel
Het bevolkingsmodel is hoofdzakelijk gebaseerd op de
samengevoegde lange-termijn effecten van de afnemende
energievoorziening. De mechanismes van de geprojecteerde
bevolkingsdaling zijn niet bepaald. Het is echter
aannemelijk, dat het onder andere zal gaan om grote
regionale voedseltekorten, verspreiding van ziektes (door
het afbrokkelen van stedelijke medische en sanitaire
diensten) en toegenomen sterfte door koude en hitte.
De belangrijkste interactie in het model zit tussen de
hoeveelheid energie, die in de loop van de tijd beschikbaar
is (getoond op afbeelding 13), en een schatting van het
gemiddelde energieverbruik per hoofd van de bevolking. Het
huidige wereldverbruik ligt rond de 1,7 toe per persoon per
jaar en in het model zakt dit gelijkmatig naar 1,0 toe per
persoon per jaar in 2100. Ter vergelijking: het
wereldgemiddelde in 1965 was 1,2 toe, dus het model
voorspelt geen enorme afname onder dat verbruiksniveau. Een
vergroting van de verschillen tussen rijke en arme landen is
ook waarschijnlijk, maar dat wordt in deze benadering niet
weergegeven.
Onder deze aannames zou de wereldbevolking groeien tot 7,5
miljard in 2025, alvorens het een onvermijdelijke daling
inzet naar 1,8 miljard in 2100.

Afbeelding 14: Wereldbevolking bij afnemende energie, 1965
tot 2100
Effecten van ecologische
schade
Om het beeld van de menselijke bevolking van de komende eeuw
te voltooien moeten we ook enkele ecologische inzichten ter
sprake brengen.
Volgens een definitie op
Wikipedia:
Ecologie is de wetenschappelijke studie van de verspreiding
en overvloed van levende organismes, en hoe de verspreiding
en overvloed beïnvloed worden door de interactie tussen de
organismes en hun omgeving.
Er zijn twee
ecologische concepten, die de sleutel zijn om de huidige
situatie van de mens op onze planeet te begrijpen. De eerste
is draagvermogen (Carrying capacity) en de tweede is
over-aantal (Overshoot).
Draagvermogen
Het draagvermogen van een omgeving wordt bepaald door het
aantal middelen, die beschikbaar zijn voor de bevolking die
er woont. In de regel wordt voedsel als de beperkende factor
beschouwd. Voor planten en dieren kan deze definitie
makkelijk toegepast worden. Klassieke voorbeelden zijn
bijvoorbeeld de schommelingen in de verhoudingen tussen
roofdieren en prooien (bijv. wolven en herten of vossen en
konijnen) of het aantal buffels dat op een bepaald
prairieoppervlak kan leven.
Wanneer we proberen deze definitie op mensen toe te passen,
komen we in problemen. In het dierenrijk, wanneer een
bevolking kleiner is dan de draagkracht van de omgeving, zal
die bevolking toenemen. En wanneer de draagkracht bereikt
wordt, zal het aantal zich stabiliseren. Maar bij de mens
groeit het aantal al sinds heel lang en groeit nog steeds,
hoewel minder snel. Betekent dit dat we de draagkracht van
de aarde nog niet bereikt hebben, of zijn er andere factoren
in het spel?
De ontbrekende overweging is, natuurlijk, het type middelen
dat door de individuen van de bevolking verbruikt wordt. In
het dierenrijk is voedsel het belangrijkste middel, dat op
een tamelijk constante manier vereist is. Dat kan wat
schommelen door factoren zoals groei of seizoensgebonden
energiebehoeftes, maar gemiddeld zal de hoeveelheid voedsel,
die elk organisme nodig heeft, redelijk stabiel zijn. Daar
dieren, afgezien van voedsel en water, nauwelijks andere
middelen nodig hebben, is het relatief eenvoudig (op z’n
minst in theorie) de draagkracht van een bepaalde omgeving
voor een bepaald dier vast te stellen.
Ook voor mensen varieert de hoeveelheid voedsel, die we
nodig hebben om te overleven, slechts binnen een kleine
marge, laten we zeggen van 2.000 tot 5.000 kilocalorieën per
dag, afhankelijk van onze activiteit. De hoeveelheid
non-foodenergie die we verbruiken is echter zeer
verschillend en dat maakt het berekenen van de draagkracht
voor mensen gecompliceerder dan voor dieren. Het verbruik
van non-food energie is overal verschillend. In de
voorgaande secties hebben we energie gebruikt als benadering
voor de benodigde middelen.
De definitie van
draagkracht, waar ik de voorkeur aan geef, is:
De draagkracht van een bepaalde omgeving is het maximum
aantal individuen, dat deze omgeving op een duurzame manier
kan dragen, met een bepaald niveau van activiteit.
Duurzaamheid wordt als volgt gedefinieerd:
Een duurzaam
proces of duurzame status kan op een bepaald niveau oneindig
lang gehandhaafd worden.
Een duurzaam
proces of duurzame status zou optimale condities moeten
scheppen voor alle organismes die er door beïnvloed worden.
Een duurzaam proces of duurzame status mag, direct nog
indirect, de levensvatbaa