Debet, credit, banco!
Rudo de Ruijter,
Nederland
In
“Geheimen van geld, rente en inflatie” [1] heb ik veel
dingen over de banken verklapt. Toch hadden veel lezers nog
vragen over de manier waarop banken geld maken. Dat is niet
zo verwonderlijk, want dat is inderdaad iets waar je oren
van gaan klapperen. Sommige mensen kunnen het niet geloven.
Zoiets kan toch niet?
In dit
artikel gaan we dat geld maken haarfijn uit de doeken doen.
Voor de duidelijkheid, banken maken wel geld, maar geen
bankbiljetten. Alleen de centrale bank mag bankbiljetten
drukken. Gewone banken doen het simpeler. Die maken geld
door getalletjes op bankrekeningen in te typen en lenen dat
uit. En op dat uitgeleende geld innen ze rente. Zo wordt de
bank rijk.
Bankieren is dus een leuk spel. Maar zoals bij elk spel,
gelden er wel spelregels. Die worden bepaald door de
centrale bank. Dat wil niet zeggen, dat alles dan altijd
gladjes verloopt. Dat het soms flink fout kan gaan, zien we
aan de huidige kredietcrisis. Daar komen we zo nog op terug.

Maar laten
we eens kijken hoe het bankieren in z’n werk gaat. Bankieren
is vooral een kwestie van boekhouden. Ik vind boekhouden
saai, dus ik laat alleen de leuke dingen zien. Hier zie je
eerst even een voorbeeld van de boekhouding van een bank, om
precies te zijn, van de balans. Om het eenvoudig te houden
heb ik er niet alles op gezet. Aan de linker kant, de debet
kant, staat wat de bank heeft, de bezittingen. Bij een bank
noemen ze dat activa. Aan de rechter kant, de credit kant,
staat wat de bank verschuldigd is aan anderen. Dat zijn de
passiva. Aan deze kant vind je ook wat verschuldigd is aan
de eigenaren van de bank, het Eigen vermogen, ook wel
Kapitaal genoemd. Wanneer je van alle bezittingen alle
schulden aftrekt, dan hou je het Eigen Vermogen over.
(Bij een
bank zijn de getallen zo groot, dat op de balans de laatste
drie cijfers meestal worden weggelaten. Je moet dan alle
getallen met 1000 vermenigvuldigen.)
Nu gaan we
de bankier eens aan het werk zetten en kijken hoe hij dat
allemaal doet. Het is niet nodig aldoor de hele balans te
zien. We zullen telkens het stukje bekijken met wat er
verandert. Voor het gemak gaat het hier om kleine bedragen.
In het echt zijn ze veel groter. Ook zullen we de
belangrijkste spelregels bespreken. We beginnen eenvoudig.
Bank
neemt bankbiljetten in bewaring

Jan heeft
1000 euro aan bankbiljetten en brengt die naar de bank. De
bankier zegt “dank u wel” en schrijft de 1000 euro op de
balans bij de bezittingen van de bank. Bankbiljetten in kas,
+ 1000 euro. Maar de bank zal het geld ook een keer terug
moeten betalen. De bank heeft dus ook een schuld aan Jan. De
bankier schrijft bij de schulden van de bank: Betaalrekening
Jan: + 1000 euro.
Zo komen
veel klanten hun geld op de bank zetten. Uit ervaring weet
de bank, dat veel klanten het meeste geld voor langere tijd
op de bank laten staan. Dagelijks gaat er weliswaar wat
vanaf, maar komt er ook weer bij. De bank heeft dus meer
bankbiljetten in kas dan ze dagelijks nodig heeft.
De bank
gaat nu de bankbiljetten die ze niet dagelijks nodig heeft
gebruiken om een lening te verstrekken. Daarmee kan ze
immers rente innen. En hoe meer ze uitleent, hoe meer rente
ze int. Maar ze moet er wel voor zorgen, dat ze genoeg in
kas houdt, voor het geval Jan op komt dagen om geld op te
nemen. En als Jan niet komt, dan komen er beslist wel andere
klanten geld opnemen. Hoeveel moet de bank nu in kas houden?
Wel, dat wordt in de meeste landen door de centrale bank
bepaald. Bij voorbeeld in de VS: [2] “voor al het geld op
de betaalrekeningen moet de bank minstens 10% kasreserve
hebben.” Dus, van de 1000 euro van Jan, mag de bank 900
euro uitlenen. (In Europa varieert de liquiditeit per land,
van ongeveer 2% tot 25% [3])
Bank
leent bankbiljetten uit

Piet wil
een laptop kopen en vraagt een lening van 850 euro. De bank
leent Piet 850 euro in bankbiljetten. De klanten die geld
lenen komen onder debiteuren te staan (zij staan in de
schuld van de bank = de bank heeft vorderingen op hen)
Hé,
hoe kan dat nou? Er was eerst maar 1.000 euro en nu heeft
Jan 1.000 euro en Piet heeft 850 euro. Ja, zo worden we bij
de neus genomen. De bankier tovert die 850 euro gewoon uit
zijn hoed. Jan heeft nog gewoon zijn 1.000 euro op z’n
rekening staan en Piet heeft nu 850 euro waar hij rente over
moet betalen. Debet, credit, banco!
Dit is dus
het geheim van de bankier. Je leent geld uit en doet
alsof je het nog steeds hebt!
Nu hoef je
je bankier niet boos aan te kijken. Die manier van bankieren
is historisch gegroeid. Eigenlijk komt die voort uit de tijd
van de goudsmid. Er waren toen nog geen bankbiljetten, maar
bewijsjes voor goudstukken, die gebruikt werden als
bankbiljetten. De goudsmid verstrekte leningen in de vorm
van bewijsjes. Het geheim van de smid was, dat hij meer
bewijsjes uitgaf dan hij goud had.
De
goudsmid
In de
tijd, dat de mensen nog met gouden munten betaalden, gaven
veel mensen deze munten in bewaring bij de goudsmid en
betaalden hem daarvoor een kleine vergoeding. Hij was
toendertijd de enige die een veilige kluis had. De mensen
kregen van de goudsmid een ontvangstbewijsje, waarmee ze hun
goud later weer op konden halen. Maar de mensen gingen die
ontvangstbewijsjes gebruiken om mee te betalen. Dan hoefde
je niet met je goudstukken over straat. Wie zo’n bewijsje
ontving kon de goudstukken immers bij de goudsmid ophalen,
als je dat wilde. Met het bewaren van goudstukken werd de
goudsmid slapend rijk.
Ook
kwamen er steeds vaker mensen geld van hem lenen. Maar in
plaats van goudstukken mee te nemen, lieten ze die liever in
de kluis liggen en vroegen daarvoor in de plaats een
bewijsje. Voor de lening ontving de goudsmid rente.
Aanvankelijk leende hij alleen zijn eigen goudstukken uit.
(Dat wil zeggen: hij leende bewijsjes uit met zijn eigen
goud als onderpand.) Maar toen er steeds meer mensen geld
van hem wilden lenen, begon hij te steggelen. Hij begon
bewijsjes uit te lenen van goudstukken, die zijn klanten in
bewaring hadden gegeven. En die hadden voor hetzelfde goud
al een bewijsje gekregen. De goudsmid leende zo steeds meer
bewijsjes uit en inde steeds meer rente. En zolang er maar
niet te veel mensen tegelijk hun bewijsjes tegen goudstukken
wilden inwisselen, merkte niemand daar wat van.
Lege
kluis
Zo gaat
het nu nog steeds. Iedereen heeft bedragen op zijn
betaalrekening staan en zolang er maar niet teveel mensen
tegelijk hun geld op komen eisen, dan merkt niemand, dat de
kluis zo goed als leeg is. Bijna al het geld is uitgeleend.
Veel mensen denken nog steeds, dat de bank rijk is en haar
eigen geld uitleent. Nee dus, de bank zelf heeft daarvoor
geen geld. De bank leent altijd het geld van de andere
klanten uit.
Door die
bijna lege kluis dreigt natuurlijk altijd het gevaar, dat de
bank niet genoeg geld heeft om de nodige betalingen te doen.
Zoals ze dat in de kredietcrisis zo mooi zeggen, de bank
heeft dan een liquiditeitsprobleem. Daarover later meer.
Met de
tovertruc geld vermenigvuldigen

Onze Voorbeeld Bank heeft dus dank zij de storting van 1.000
euro van Jan, 850 euro bijgemaakt om uit te lenen aan Piet.
Laten we eens kijken, wat met die 850 euro gebeurt. Piet
koopt een laptop en de winkelier brengt de 850 euro naar
zijn bank, Bank B. De bankier zegt “dank u wel” en schrijft
de 850 euro op de balans bij de bezittingen van de bank.
Bankbiljetten in kas, + 850 euro. Maar de bank zal het geld
ook een keer terug moeten betalen. De bank heeft dus ook een
schuld aan de winkelier. De bankier schrijft bij de schulden
van de bank: Betaalrekening Computerwinkel: + 850 euro.

Bank B.
moet minstens 10% kasreserve aanhouden voor de 850 euro die
er op de betaalrekening is bijgekomen. Dat is 85 euro. Van
de 850 euro kan Bank B dus maximaal 765 euro uitlenen. Bank
B leent 750 euro aan Wim, die er een fiets mee koopt. De
fietsenhandelaar brengt de 750 euro naar Bank C. Van de 750
euro kan bank C maximaal 675 euro uitlenen. En zo gaat het
verhaal maar door met telkens iets kleinere bedragen.
Zo gaan de
bankbiljetten van Jan achteréénvolgens naar de Voorbeeld
Bank, naar de computerwinkel, naar Bank B, naar de
fietsenhandel, naar bank C en zo verder. En elke bankier die
de bankbiljetten maar even in z’n vingers krijgt kan er weer
een nieuwe lening bij maken. En uiteindelijk kunnen de 1000
euro van Jan aanleiding vormen voor heel veel nieuwe
leningen, verspreid over heel veel banken, die daar heel
veel rente mee innen.
Alle
banken samen

Wanneer
alle banken het maximum uit zouden lenen wat ze mogen
uitlenen, dan had onze Voorbeeld Bank 900 euro uitgeleend,
de volgende bank 90% van 900 = 810, de volgende 90% van 810
= 729 enz. en zouden de banken samen met de 1.000 euro van
Jan 9.000 euro aan leningen kunnen verstrekken! Gelukkig
lukt dat de banken tot nu toe nog niet. Daar zou heel veel
tijd voor nodig zijn en de gemiddelde lening duurt niet zo
lang. En wanneer een lening afbetaald wordt, verdwijnt het
bedrag weer van de balans. Maar ook als ze de 1.000 euro van
Jan maar enkele keren weten te vermenigvuldigen,
krijgen ze daarmee dus meerdere keren rente.
Jan zelf heeft een betaalrekening en krijgt daar niks van.
Hij moet zelfs kosten betalen voor overschrijvingskaarten en
bankpasjes.
(Het
maximum van 9.000 euro geldt bij een kasreserve van 10%. Bij
een kasreserve van 2% is dat 49.000 euro!)
Jongleren met betalingen
Maar als
de bank het geld op de betaalrekeningen niet heeft, dan kan
ze er toch ook niet mee betalen? Dan is het toch geen geld?
Dat klopt. Van de 1000 euro van Jan zijn bij onze Voorbeeld
bank nog maar 150 euro over en bij bank B. 100 euro. Een
bank zou dus nooit het totaal van alle bedragen op de
betaalrekeningen in één keer uit kunnen betalen als de
rekeninghouders opdracht zouden geven om het op rekeningen
van andere banken te storten of om het contant uit te
betalen. Als dat geld echt bestond, dan zou de bank dat
natuurlijk wel kunnen. De bank heeft voor al die bedragen op
de betaalrekeningen maar een klein beetje echt geld, waarmee
ze de betaalopdrachten van haar klanten uit kan voeren. Dat
is het beetje wat ze niet uitgeleend heeft, de kasreserve.
En wanneer
de bank dat kleine beetje echte geld gebruikt heeft om voor
haar rekeninghouders betalingen te doen aan rekeninghouders
bij andere banken, wat dan?
Dan komen
er wel weer betalingen binnen, die rekeninghouders van
andere banken doen aan rekeninghouders van onze bank. En
onze bank gebruikt dat beetje dan weer om de volgende
betalingsopdrachten uit te voeren.

Dus
wanneer Jan 30 euro wil betalen aan iemand bij een andere
bank, boekt onze bank 30 euro over uit haar kasreserve. En
dan komt er wel weer een betaling binnen uit de kasreserve
van een andere bank, waarmee de kasreserve van onze bank
weer aangevuld wordt. En zo kunnen de banken doorlopend
relatief kleine bedragen aan elkaar overboeken. En wanneer
de banken dat geld maar vlug genoeg heen en weer boeken, dan
kunnen daar heel veel betalingen mee verricht worden.
In feite
lijkt het dus net alsof de bankiers gigantisch veel geld
hebben, maar is het in werkelijkheid telkens het kleine
beetje uit hun kasreserve dat tussen de banken heen en weer
gaat en waarmee de betalingen verricht worden. Maar bij
echte banken met vele duizenden klanten is dat kleine beetje
kasreserve nog een flink bedrag. Daarmee kunnen ze meestal
zonder problemen ook hele grote bedragen van de ene naar de
andere bank overboeken.
Giraal
geld
Tot nu toe
hebben we alle boekingen met bankbiljetten gedaan. Maar
wanneer banken elkaar telkens met bankbiljetten moeten
betalen, is dat niet zo praktisch. Die bankbiljetten zouden
dan de hele tijd in gepantserde vrachtwagentjes van de ene
naar de andere bank gereden moeten worden. Dat gaat
tegenwoordig handiger. De banken kunnen hun bankbiljetten
bij de centrale bank inwisselen tegen een tegoed. De
centrale bank heeft van elke bank een rekening met het
tegoed. En als de ene bank geld wil betalen aan een andere
bank, dan boekt de centrale bank dit van het tegoed van de
ene bank naar het tegoed van de andere bank.

Omdat de
meeste betalingen worden gedaan met overboekingen, houden de
banken maar weinig bankbiljetten in de kasreserve en bestaat
het grootste gedeelte van de kasreserve uit een tegoed bij
de centrale bank. Ook wanneer onze Voorbeeld Bank 50 euro
leent van een andere bank, komt dit bij de kasreserve.
(Kasreserve = 120 + 50 = 170)
En wanneer
je geld leent bij een bank, dan krijg je tegenwoordig geen
bankbiljetten mee naar huis, maar wordt het op je
betaalrekening bijgeschreven. En zolang jij dat niet
uitgegeven hebt, wordt de kasreserve van de bank niet
kleiner. (Dat gebeurt pas als je het geld overboekt naar
iemand die een rekening heeft bij een andere bank of wanneer
je contant geld opneemt.)
Leningen
Wanneer
banken geld uitlenen, lopen ze meestal een zeker risico, dat
de lening niet (of niet helemaal) terugbetaald wordt. Daarom
vragen de banken gewoonlijk een onderpand. Wanneer je geld
voor een auto leent, en je betaalt niet terug, dan neemt de
bank je auto in beslag, verkoopt hem en met de opbrengst
wordt de uitstaande lening terug betaald. En als dat niet
voldoende is, hou je nog een schuld aan de bank. Maar als je
niet kunt betalen, dan moet de bank het restant van de
lening uiteindelijk afschrijven. En als dat te vaak gebeurt,
komt niet alleen de bank in problemen, maar ook de klanten
die geld van de bank tegoed hebben.
We komen
nu bij de tweede belangrijke spelregel. Banken moeten een
Eigen Vermogen hebben dat minstens even groot is als 8% van
de uitstaande leningen. [4] Anders gezegd, voor elke 8 euro
Eigen Vermogen, mag de bank 100 euro uitlenen. Maar bij
sommige leningen, zoals hypotheekleningen, mogen ze met
hetzelfde Eigen Vermogen dubbel zoveel uitlenen en dus
dubbel zoveel rente vangen. Geen wonder dus, dat banken die
hypotheekleningen graag verstrekken. (Alhoewel dat nu, eind
2008, eventjes problematisch is.) Voor leningen aan de staat
geldt de 8% regel niet. De staat kan immers altijd belasting
heffen om de bank terug te betalen.

Dus, voor de lening aan
Piet, moet onze Voorbeeld Bank ook aan die eis voldoen.
(Solvabiliteits-eis.) Voor de lening van 850 euro moet de
bank dus 8% van 850 = 68 euro Eigen Vermogen hebben. In ons
voorbeeld heeft de bank 110 euro, dus dat is voldoende.
Wanneer
Piet elke maand 100 euro afbetaalt, komt er 100 euro in de
kas en vermindert het bedrag bij Debiteur Piet met 100 euro
Maar
wanneer Piet de laatste 50 euro niet terug zou betalen, dan
moet de bank die laatste 50 euro afschrijven. Dan komt er
niets in de kas, en vermindert Debiteur Piet toch met 50
euro. En dat betekent dat het totaal (hier de 1.130 euro)
met 50 euro vermindert, en dat betekent weer dat het Eigen
Vermogen van de bank met 50 euro vermindert. En als de bank
naast de lening van Piet, nog andere leningen verstrekt had,
dan had het zo maar kunnen gebeuren, dat de bank onvoldoende
solvabel was geworden.
Debet, credit,
crisis
Dat
gebeurde in de Verenigde Staten, toen vooral armere mensen
tegen hele lage rente hypotheken hadden gekregen, maar niet
meer konden betalen toen de rente weer steeg. Veel bankiers
hadden die problemen al aan zien komen en zich tegen
wanbetaling verzekerd. Waar die bankiers niet mee gerekend
hadden, was dat er zoveel wanbetalers kwamen, dat de
verzekeraars niet meer konden betalen en failliet gingen. Zo
moesten aan de debet-kant alsnog veel leningen afgeschreven
worden en slonk het Eigen Vermogen aan de credit-kant. De
solvabiliteit kwam in gevaar. Andere bankiers hadden die
riskante hypotheekleningen in pakketjes doorverkocht aan
andere banken binnen en buiten de VS. Die kopers hadden zich
bij de neus laten nemen en zaten toen met besmette pakketjes
leningen die niemand meer van hen wilden kopen. Zo kwamen
wereldwijd heel wat banken in problemen en een aantal ging
failliet. En omdat de banken van elkaar niet wisten wie er
pakketjes hadden gekocht en wie er misschien failliet kon
gaan, wilden ze ook elkaar geen geld meer lenen. Normaal
doen ze dat dagelijks, wanneer de ene bank aan het eind van
de dag nog te goed bij de centrale bank over heeft en de
andere bank wat te kort komt. En als banken elkaar niet meer
vertrouwen, dan moet elke bank zich maar zien te redden. En
dat betekent: zorgen dat er voldoende kasreserve is, dus zo
weinig mogelijk uitlenen. En omdat de meeste bedrijven
afhankelijk zijn van leningen, komen de bedrijven ook in
moeilijkheden. Eerst één voor één en vervolgens met bosjes
tegelijk. Crisis.
[1]
Geheimen van geld, rente en inflatie:
http://www.courtfool.info/nl_Geheimen_van_geld_rente_en_inflatie.htm
[2]
liquiditeits-eis Federal Reserve: (sinds 1992)
http://www.federalreserve.gov/monetarypolicy/0693lead.pdf
[3]
Liquiditeit in Europa:
http://www.bportugal.pt/euro/emudocs/bce/eubankingsectorstability2005en.pdf,
tabel 16
[4] De 8%
solvabiliteits-eis hebben grote internationale banken met
elkaar afgesproken in het Basel I accoord in 1988. Sindsdien
is er veel aan gesleuteld. Sinds 2006 geldt het Basel II
accoord, met meer eisen aan de samenstelling van het
kapitaal, maar ook met meer keuzevrijheid voor de banken hoe
ze hun risico’s willen berekenen.
The Basel
Capital Accords:
http://www.parl.gc.ca/information/library/PRBpubs/prb0596-e.htm
Rekenvoorbeeld Solvabiliteitspercentage:
http://www.rbnz.govt.nz/finstab/banking/regulation/0091769.html#navstart
Voorstel
lagere solvabiliteits-eis uit 2004:
http://europa.eu/rapid/pressReleasesAction.do?reference=MEMO/04/178&format=HTML&aged=1&language=EN&guiLanguage=en
Meer
documentatie:
Bank
balans:
http://www.amosweb.com/cgi-bin/awb_nav.pl?s=wpd&c=dsp&k=bank
balance sheet
Geld,
Financiële Markten & Financiële Instellingen, C. van Ewijk &
L.J.R. Scholtens (Wolters Noordhoff)
December 2008

De auteur is
bereikbaar via
www.courtfool.info .
Als u wenst, kunt u
het artikel kopiëren, doorsturen of publiceren in kranten of
op het internet.